Sfeer als ziekmaker of medicijn
15-09-2008: Aan de muur van het spaarzaam verlichte kamertje hing een vergeelde poster. De linkerbovenhoek was omgekruld, je kon maar een deel van de afbeelding - een in nevelen gehuld herfstbos - zien. Er stonden drie stoelen die in hun jonge jaren ongetwijfeld voor fauteuils waren doorgegaan maar waarvan de bekleding inmiddels zo verschoten was dat je alleen nog kon gissen naar de oorspronkelijke kleur. Op een bruin plastic tafeltje, naast een van de stoelen, was een varen bezig dood te gaan.
Een uitgelezen decor voor een film zonder happy end, zou je denken. Maar wat ik hier beschrijf, is in werkelijkheid de wachtkamer van een ziekenhuis. Die wachtkamer bevond zich pal tegenover de Intensive Care. Mijn moeder was na een hartoperatie in coma geraakt en wij, mijn broer en ik, zaten daar, in afwachting van nadere berichten.
Zelf heb ik, afkloppen, maar één keer in een ziekenhuis gelegen. Ik was elf jaar en was opgenomen vanwege een acute blinde darm. Acht dagen duurde de opname (toen nog wel!). Omdat op de kinderafdeling geen plaats was, hadden ze me op 'Interne' gelegd, bij drie volwassen mannen die er plezier in hadden mij te verwennen. Bovendien kwam een verpleegkundige - toen nog zuster geheten - mij elke dag een uurtje voorlezen. Ik herinner me de hele opname als één groot feest. Die herinnering is niet in de laatste plaats verbonden met de kamer zelf: licht, ruim, met uitzicht op een prachtige tuin.
Met die ene opname kan ik mijzelf niet bepaald een door de wol geverfde patiënt noemen. Maar als patiëntenbezoeker sta ik mijn mannetje. Het heeft dertig jaar geduurd voordat een specialist erachter kwam dat mijn moeders hart niet tussen haar oren zat. Ondertussen was zo'n beetje het volledige repertorium aan diagnoses op haar losgelaten met evenzoveel nutteloze opnames en vergeefse behandelingen. Geen ziekenhuis in mijn woonplaats (Amsterdam) dat ik niet van binnen heb gezien. En Amsterdamse ziekenhuizen, daar waren er indertijd heel wat van.
Aan al die bezoeken heb ik een tic overgehouden. Ik let altijd op zaken die niet direct met de behandeling te maken hebben: hoe gaat het personeel met de patiënten om, hoeveel keuze hebben die patiënten in wat ze eten en wat voor informatie krijgen zij? Maar vooral: hoe ziet het ziekenhuis eruit? Want ik heb gemerkt hoeveel invloed de fysieke omgeving - het gebouw, de kleuren, de lichtinval - hebben op de gemoedstoestand van zieken en hun familie.
Er zijn onderzoeken die aannemelijk maken dat een ziekenhuis met een prettige sfeer bijdraagt aan het herstel. Maar ik heb geen onderzoek nodig om te durven stellen dat een prettige omgeving het verblijf op z'n minst veraangenaamt. En dat is op zichzelf, naast natuurlijk een adequate diagnostiek en een goede behandeling, heel wat waard, zeker voor mensen die hun vertrouwde omgeving hebben moeten verlaten en in onzekerheid verkeren over hun verdere (fysieke) lot.
Een mooi, harmonieus gebouw helpt, een stervende varen niet.
Fred Plukkervoorzitter Raad van Bestuur a.i.