[ Patiëntervaringen.. ]Op afdeling F2A van het revalidatiecentrum, ofwel PE Klinische Kindrevalidatie, verblijft een bijzonder patiëntje. Bijzonder vanwege haar ziektebeeld maar ook bijzonder vanwege haar aanstekelijke vrolijkheid. Nicole Schraven uit Sint Hubert heeft een hersenbloeding gekregen, en dat terwijl ze nog maar 11 jaar is. Maar ze laat zich er niet onder krijgen.
Erop of eronder
‘Het begon ’s morgens met hoofdpijn’, herinnert Nicole zich. ‘Dat werd alleen maar erger’. Toen haar moeder haar ’s middags naar de huisartsenpost in Boxmeer bracht, lag ze al in coma. Zo snel was het gegaan. Ze werd ter plekke opgenomen, onderzocht en overgebracht naar het UMC St Radboud. ‘Maar dat kan ik mij niet meer herinneren.’
‘Het was erop of eronder met Nicole,’ vertelt haar oma Nel van Wijk over die periode. Eén van de donkerste uit haar leven. ‘Het was zo ernstig, en we begrepen er niets van. Hoe kan dat nou, een hersenbloeding?’. Een elfjarige met hersenbloeding komt inderdaad zelden voor. Daar moet dus iets bijzonders aan de hand zijn. ‘Ik had een aangroeisel aan mijn hersenen,’ begrijpt Nicole nu. ‘Een extra ader die dunner was, en die is gesprongen.’
Uitval
Nicole werd twee keer geopereerd, waarbij die ader werd verwijderd is. Haar eerste herinneringen dateren van daarna, toen ze op de IC lag en uit coma kwam: ‘Ik lag in een andere kamer, niet zoals thuis. En ik zag overal slangen lopen, dat vond ik raar.’ Net zoals bij volwassenen na een hersenletsel waren bij Nicole enkele lichaamsfuncties uitgevallen. Zo kon ze niet meer slikken en praten. Langzamerhand ging het gelukkig weer beter met Nicole: ‘Het eerste wat ik kon zeggen was 'poepchinees'.’ Ze ligt weer in een deuk als ze daar aan denkt. Maar ineens is ze serieuzer: ‘Dat ik niet kon lopen vond ik het ergste. Ik kon ook niet zelf rijden in een rolstoel. Ik moest altijd geduwd worden. Ik had papa gevraagd wat er met mij aan de hand was, en hij vertelde van de hersenbloeding. Maar ik snapte het niet.’
Revalidatie
Sinds december vorig jaar ligt ze in de Maartenskliniek. ‘Om te leren lopen en om te leren praten.’ In het ziekenhuis is het anders dan thuis, dat is een feit. Wat mist ze nou het meest? ‘Niet mijn broertje, want die komt toch wel elke dag op bezoek. Wat ik mis is lekker slapen, dat kan ik hier niet zo goed. En het eten van mama. Maar mijn vriendinnetjes mis ik niet zo. Als ze hier zijn, gaan ze met zijn tweeën spelen en lachen, en dan kan ik niet meedoen.’ Maar meteen volgt weer een grap: ‘Dit ziekenhuis is mooi, want ik lig hier!’
Doos met karakter
De weekenden brengt ze inmiddels weer thuis door, en binnenkort wordt ze ontslagen. Bang om weer ziek te worden is ze absoluut niet, ze knikt resoluut ‘nee’. Haar opa Martinus Linders herkent daarin weer zijn kleindochter: ‘Ze heeft zich altijd beter gehouden dan wij. Ze zei altijd: ‘Opa, ge hoeft niet te huilen want het komt allemaal goed.’ Wat maar weer aangeeft dat zo’n ziekte Nicole er niet onder krijgt. ‘Ik heb nog zo’n doos met karakter!,’ vult Nicole haar opa aan terwijl ze met haar handen een grote doos uitbeeldt. En weer is daar die schaterlach.
April 2005.