Veelgestelde vragen over Cerebrale Parese
Lees eerst de uitgebreide informatie over cerebrale parese.
Staat uw vraag er niet bij? Kijk dan eerst bij de algemene vragen, voordat u contact met ons opneemt.
Wij geven geen medisch advies via e-mail. Als u een medische vraag stelt, zullen wij u adviseren een afspraak te maken voor een polikliniekbezoek.
Hoe weet ik of revalidatie in mijn situatie van toepassing is?
Wij geven online geen individueel medisch advies. Als u een medische vraag heeft, zullen wij u adviseren een afspraak te maken voor een polikliniekbezoek.
Hoe wordt de diagnose CP vastgesteld?
De diagnose wordt met name gesteld op de
verschijnselen
die horen bij CP. Daarnaast moet er aangetoond zijn dat er sprake is
van hersenschade, ontstaan vóór de eerste verjaardag,
die niet toeneemt in de tijd.
Hersenbeschadiging kan aangetoond worden met een CT-scan of een
MRI-scan of bij baby's waar de fontanel nog open is met een echo.
Vóór de leeftijd van 2 jaar kan het soms moeilijk zijn om
de beschadiging op te sporen en daarom kun je pas na de leeftijd van 2
jaar met zekerheid zeggen of er géén beschadiging
aanwezig is.
Het meest betrouwbare onderzoek om al dan niet aanwezige
hersenschade vast te stellen is een MRI vanaf de leeftijd van 2 jaar.
Vaak worden de verschijnselen, passend bij CP, pas echt duidelijk
vanaf de peuterleeftijd.
Al met al kan dus gesteld worden dat de diagnose CP in veel
gevallen pas betrouwbaar gesteld kan worden vanaf de leeftijd van 2
jaar.
Kan een kind met CP sporten?
De meeste kinderen met CP kunnen deelnemen aan sportieve activiteiten. Voor
sommige kinderen met lichte beperkingen is het goed mogelijk om lid te zijn
bij een reguliere sportvereniging en samen met kinderen zonder beperkingen
te sporten. Anderen zijn aangewezen op aangepast sporten, sommige reguliere
sportverenigingen hebben hiervoor aparte groepjes of teams. Voor kinderen
in een rolstoel met een redelijke tot goede armfunctie zijn er bijvoorbeeld
sporten als rolstoelbasketbal of wheelen. Ook voor kinderen in een
elektrische rolstoel zijn er sportmogelijkheden, bijvoorbeeld
rolstoelhockey. Voor meer informatie kunt u kijken op www.nebas.nl.
Leert een kind met CP lopen?
Spasticiteit hoeft alleen behandeld te worden als het functioneel
belemmeringen geeft of risico op functieverlies of als het pijnlijk is.
Sommige kinderen maken juist gebruik van hun spasme doordat dit
stabiliteit geeft, bijvoorbeeld bij het lopen.
Oefentherapie
Door het regelmatig oefenen van vaardigheden zoals lopen
kan een kind handiger worden in de gerichte aansturing van de spieren.
Hierdoor kunnen ze minder last hebben van de aanwezige spasticiteit.
Ook is het belangrijk om te zorgen dat de spieren op lengte blijven
door te rekken, omdat spastische spieren de neiging hebben te
verkorten. Hierdoor worden de bewegingsmogelijkheden beperkt.
Botuline-toxine A (BotoxÒ, DysportÒ)
Door het spuiten van botuline-toxine in de spastische
spier wordt deze gedeeltelijk "verlamd". Dit effect begint meestal op
te treden 4-7 dagen na het inspuiten en is maximaal na 10-14 dagen. Na
gemiddeld 3-6 maanden verdwijnt het effect weer. Behandeling met
botuline-toxine vindt bij kinderen meestal plaats onder narcose en
wordt gevolgd door (extra) oefentherapie. Deze is gericht op het rekken
van de behandelde spieren om de spierlengte te optimaliseren en het
gericht trainen van vaardigheden die door de spasticiteit niet of zeer
moeilijk uit te voeren waren. Als er een groot verlies van spierlengte
is wordt er ook wel gekozen voor een nabehandeling met gips en/of een
spalk om de spieren langdurig te rekken.
Spasme-remmende medicatie
Het meest gebruikte middel is Baclofen. Dit kan geslikt
worden in de vorm van pillen. Baclofen heeft invloed op alle spastische
spieren, dus niet gericht op bepaalde spiergroepen. Ongeveer 25% van de
kinderen heeft als bijwerking last van sufheid die vaak verdwijnt bij
verlaging van de dosis. Baclofen kan ook toegediend worden als
vloeistof via een slangetje bij het ruggenmerg met behulp van een
onderhuidse pomp (onder de buikhuid). Deze therapie wordt vooral
toegepast bij kinderen en volwassenen met CP die (overwegend)
rolstoelgebonden zijn waarbij er problemen optreden op het gebied van
zitten, pijn of verzorging ten gevolge van spasme.
Operatieve ingrepen
Selectieve Dorsale Rhizotomie is een operatieve ingreep waarbij
een aantal zenuwwortels bij het ruggenmerg selectief uitgeschakeld
wordt en zo de reflexboog onderbroken. Hierdoor verdwijnt de
spasticiteit. In Nederland wordt deze operatie relatief weinig
toegepast.
Vaker worden spier(pees)verlengende operaties uitgevoerd. Deze
operaties hebben geen directe invloed op de spasticiteit zelf, maar
verminderen de invloed van het spasme doordat de spierlengte
toeneemt.
Wat zijn de vroege verschijnselen van CP?
- Tonusregulatiestoornis: een stoornis in de spierspanning
- Tekenen van een te lage spierspanning (hypotonie = voelt slap
aan)
O.a.:
-
- headlag: het achterblijven van het hoofd bij aan de
armen optrekken tot zit
- niet los kunnen zitten, zitten met een erg gebogen
rug
- "slipping through" bij oppakken onder de armen, "door
de handen glijden"
- kikkerhouding bij het liggen op de rug: benen naar
buiten gedraaid, knieën gebogen, plat op de
onderlaag
- Tekenen van een te hoge spierspanning (hypertonie = voelt stijf
aan)
O.a.:
-
- overstrekken
- strekken en/of scharen van de benen, o.a. bij oppakken
onder de armen
- voortdurend in een vuist houden van één
of beide handjes, vooral met de duim in de vuist
- spitsvoetstand, staan en lopen op de tenen (niet altijd
veroorzaakt door hypertonie)
- Afwijkende motoriek of motorische ontwikkeling:
-
- weinig of weinig gevarieerde bewegingen
- ongecontroleerde bewegingen
- geen of onvoldoende hoofdbalans voor de leeftijd
- vertraagde ontwikkeling, later of niet bereiken van
mijlpalen zoals omrollen, los zitten, kruipen, staan en
lopen
- in plaats van kruipen: tijgeren, billenschuiven of
kikkeren/hoppen (armen en vervolgens benen tegelijk
naar voren plaatsen i.p.v. afwisselend links en
rechts)
- achterblijven van een lichaamshelft, vroege
(vóór de leeftijd van 12 maanden)
- voorkeur voor linker- of rechterhand
- afwijkend looppatroon, bijvoorbeeld lopen op de tenen,
lopen met gebogen of juist overstrekte knieën, vaak
struikelen en vallen
Niet alle kinderen die deze symptomen laten zien blijken later ook
daadwerkelijk CP te hebben. Bij sommige van deze kinderen wordt een
andere diagnose gesteld zoals DCD (developmental coordination
disorder).
Anderen ontwikkelen zich uiteindelijk normaal.
Als u zich, na lezen van de bovenstaande informatie, zorgen maakt
over de ontwikkeling van uw kind, kunt u het beste eerst contact
opnemen met het Consultatiebureau. Is uw kind 4 jaar of ouder dan kunt
u het beste contact opnemen met uw huisarts of met de schoolarts.
Wat zijn veel voorkomende problemen bij CP?
-
Kwijlen
Dit ontstaat door onvoldoende controle over de mondmotoriek
en/of het slikken. Speeksel wordt niet doorgeslikt en/of het lukt
onvoldoende om de mond dicht te houden. Meestal wordt het kwijlen
erger bij activiteit.
Het
kwijlen kan medicinaal of chirurgisch behandeld
worden.
-
Voedingsproblemen
Dezelfde onderliggende problemen als bij het kwijlen
kunnen ook aanleiding geven voor eetproblemen. Zo kunnen het nemen
van een hap of slok, het sluiten van de mond en het kauwen moeizaam
verlopen. Bij een slechte sturing van het slikken bestaat er een
risico op verslikken. Kinderen die hier last van hebben, hebben een
grotere kans op een longontsteking. Ernstige voedingsproblemen
kunnen een reden zijn voor het starten van sondevoeding.
Hiernaast komt ook vaak gastro-oesofageale reflux voor,
terugstroom van maaginhoud de slokdarm in. Dit geeft aanleiding tot
spugen en/of een pijnlijke irritatie van het slijmvlies van de
slokdarm door maagzuur, waardoor eten en drinken als vervelend kan
worden ervaren. Ook het risico op verslikken en het ontstaan van
een longontsteking wordt groter.
Als derde belangrijke oorzaak van voedingsproblemen kan
obstipatie genoemd worden. Naar mate kinderen zich minder goed
kunnen bewegen hebben ze meer kans op het krijgen van
obstipatie.
Bij voedingsprobelemen kan
het
Eetteam van de Maartenskliniek worden ingeschakeld.
-
Spraakproblematiek
De verminderde sturing van de mondmotoriek kan uiteraard ook
invloed hebben op de spraak. Klanken kunnen moeilijker gevormd
worden waardoor een kind slechter te verstaan is. Sommigen kunnen
zelfs helemaal niet praten. Ook kan het moeilijk zijn om voldoende
kracht op te bouwen om de stem volume te geven. Hierdoor kan het
praten heel zacht zijn. Kinderen met CP en dergelijke
spraakproblemen zie je vaak hun hele lichaam aanspannen als ze iets
willen zeggen.
-
Problemen met het zien
Bij het ontstaan van hersenschade kunnen ook delen van de
hersenen beschadigen die betrokken zijn bij het kunnen zien. Dit
kan zich in allerlei vormen uiten, waaronder slechtziendheid en
gestoorde oogbewegingen. Ongeveer 40% van de kinderen met CP heeft
een stoornis van het zien, ca. 9-10% een ernstige stoornis.
Bij 50% van de kinderen komt scheelzien voor. Dit gaat
gepaard met het risico op het ontwikkelen van een "lui oog" (bij
kinderen wordt een oog dat niet of onvoldoende gebruikt wordt om te
kijken vanzelf slechtziend).
-
Problemen met het gehoor
Evenals de gebieden in de hersenen voor het zien, kunnen ook
die voor het gehoor beschadigd zijn. Een verminderd gehoor heeft
vaak een negatieve invloed op de spraak-taalontwikkeling. Een
ernstige vorm van doofheid aan beide oren komt bij ca. 5-7%
voor.
-
Groeiproblemen
Deze hangen vooral samen met de voedingsproblemen. Ook wordt
meestal gezien dat aangedane ledematen langzamer groeien. Dit valt
het meest op bij een
hemiparese,
waarbij het been en/of de arm aan de aangedane zijde vaak
korter zijn en de voet en/of hand kleiner.
-
Leerstoornissen en verstandelijke beperking
Kinderen met CP hebben een verhoogde kans op
leerstoornissen. Grofweg kan gesteld worden dat ongeveer 25% een
normale intelligentie heeft, 50% moeilijk lerend is en 25% een
verstandelijke beperking heeft. Kinderen met een
hemiparese
of een spastische diplegie functioneren gemiddeld beter dan
de kinderen met andere vormen van CP. Epilepsie heeft een
ongunstig effect op het verstandelijk functioneren.
-
Epilepsie
Ongeveer 50-75% van de kinderen met een
tetraparese,
40-50% van de kinderen met een
hemiparese en
15-30% van de kinderen met een
diplegie
heeft epilepsie. In 70-80% van de gevallen ontstaat dit
vóór het 7e levensjaar, bij een
tetraparese
gemiddeld het vroegst. Bij ongeveer de helft van de kinderen
met epilepsie is deze goed te behandelen met medicatie.
-
Vorming van contracturen
Contracturen zijn blijvende bewegingsbeperkingen van
gewrichten die ontstaan zijn doordat het gewricht langdurig en/of
veelvuldig in een bepaalde stand gehouden wordt. Dit wordt vaak
veroorzaakt door spasticiteit waarbij de spastische spieren een
gewricht één kant op trekken, vooral als de spieren
die de tegengestelde beweging moeten maken verzwakt zijn. Bovendien
treedt er als dit langer bestaat ook nog een verkorting van de
spier op.
Een veel voorkomend voorbeeld is het ontstaan van een
spitsvoet bij spasticiteit van de kuitspieren. Maar ook het
langdurig zitten in een rolstoel kan er toe leiden dat bijvoorbeeld
heupen en knieën niet meer goed gestrekt kunnen worden.
Het voorkomen van contracturen door middel van doorbewegen is
een van de dingen waar de fysiotherapeut zich mee bezig houdt.
Fysiotherapie kan het ontstaan van contracturen voorkomen.
-
Vorming van een scoliose
Door een verstoorde balans in de spierspanning van
de spieren die de wervelkolom stabiliseren kan er een zijwaartse
vergroeiing van de wervelkolom optreden, een scoliose. Dit komt bij
ca. 25% van de kinderen met CP voor en kan o.a. problemen geven met
zitten. De diagnose wordt gesteld met een röntgenfoto.
Behandeling van een scoliose wordt gedaan door de orthopedisch
chirurg.
-
Heupdysplasie en heupluxatie
Kinderen die een vertraagde motorische ontwikkeling
hebben en later gaan lopen, lopen een verhoogd risico op
heupdysplasie: een achterblijvende of afwijkende ontwikkeling van
het heupgewricht. Daarnaast bestaat er een verhoogd risico dat de
heupkop zich uit de kom beweegt waarbij er uiteindelijk een
heupluxatie kan ontstaan (heupkop volledig uit de kom). Dit risico
is het grootst bij kinderen die de neiging hebben te scharen met de
benen ten gevolge van spasme. Daarom wordt er bij CP gedurende de
groei heupfoto's gemaakt ter controle van de heupontwikkeling.
Welke hulpmiddelen worden er gebruikt bij CP?
Loophulpmiddelen
Alle loophulpmiddelen zijn gericht op het bieden van
meer stabiliteit bij het zelfstandig lopen.
-
Aangepaste schoenen
Bij kinderen wordt er vaak gebruik gemaakt van
semi-orthopedische schoenen. Dit zijn stevige schoenen waarin
een op maat gemaakte inlegzool, eventueel met
ondersteuning van de enkel. Hierbij worden afwijkingen in de
voetstand zoveel mogelijk gecorrigeerd. Sommige kinderen
hebben voldoende aan alleen een steunzool in gewoon
-
Confectieschoeisel
Als de voet door grootte en/of voetvorm niet meer in
een standaard schoen past, worden er orthopedische schoenen
aangemeten. Deze zijn volledig op maat gemaakt.
-
Enkelvoetorthesen
Enkelvoetorthesen zijn spalken waarbij de enkel
(zoveel mogelijk) in een hoek
van 90 graden wordt gehouden. Hierdoor wordt lopen op de
tenen of het onvoldoende optillen van de voorvoet tegengegaan.
Vooral als er veel spasme aanwezig is kan de ondersteuning van
een semi-orthopedische schoen onvoldoende zijn en kan er een
reden zijn voor het aanmeten enkel-voetorthesen. De spalken worden
op maat gemaakt van kunststof en een afwijkingen in de
voetstand worden zoveel mogelijk gecorrigeerd.
-
Krukken en "Eifeltjes" (krukken met 3 of 4
pootjes)
-
Rollator
Er wordt gebruikt gemaakt van forward of
anterior-rollators, een rollator die je voor je houdt en
backward of posterior-rollators, een rollator die je achter je
houdt. Kinderen die (nog) niet zelfstandig kunnen lopen maken vaak
gebruik van een
loopwagen.
-
Roelstoelen
De meeste kinderen met CP die niet in staat zijn
langere afstanden buitenshuis te lopen, maken gebruik van een
rolstoel. Kinderen die niet zelfstandig kunnen lopen en/of
zelfstandig kunnen rijden in een handbewogen rolstoel, maken
gebruik van een elektrische rolstoel tenzij zij deze niet zelf
kunnen besturen. Besturen gebeurt vaak met een joystick maar
kan bijvoorbeeld ook met behulp van het hoofd.
-
Zitvoorzieningen
Bij een onvoldoende rompbalans is er vaak een indicatie voor
een aangepaste stoel omdat een gewone stoel onvoldoende
ondersteuning biedt.
Hulpmiddelen bij het gebruik van de handen
- Handspalken: bij een spastische hand heeft de duim vaak de
neiging om naar de handpalm toe te bewegen. Met een (vaak uit
soepel materiaal gemaakt) duimabductiespalkje wordt de duim
meer naar buiten gehouden waardoor grijpen makkelijker wordt. Ook
wordt er vaak gebruik gemaakt van spalken die de pols in een
stabiele positie houden.
- Aangepaste gebruiksvoorwerpen zoals bestek, pennen,
scharen
- Schrijfhulpmiddelen zoals speciale typemachines of een
laptop
- Aangepaste besturing van de computer zoals een aangepaste muis
of hoofdbesturing.
- Nachtspalken
Om spieren die dreigen te verkorten langdurig op te rekken,
worden vaak nachtspalken (voor arm of been) aangemeten. Omdat deze
's nachts gedragen worden, worden de betreffende spieren gedurende
meerdere uren continu gerekt.
- Communicatie-hulpmiddelen
Kinderen die niet of moeilijk kunnen praten zijn vaak
aangewezen op ondersteunende gebarentaal en
communicatiehulpmiddelen. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van
een communicatieklapper met plaatjes waarbij een kind door
aanwijzen zich duidelijk kan maken. Ook wordt vaak een
spraak-computer gebruikt waarbij de kinderen de computer dingen
voor hun kan laten zeggen.
Hulpmiddelen en aanpassingen thuis
Dit speelt vooral bij kinderen die veel hulp nodig
hebben bij verzorging etc. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
een hoog/laag bed, een tillift of een douchestoel. De ergotherapie
geeft advies over welke hulpmiddelen er nodig zijn en welk type het
meest geschikt is. Ook wordt er hulp geboden bij het aanvragen
hiervan.