Bij artrose telt niet alleen wát je vertelt, maar ook hóe je het vertelt
Bewegen is belangrijk bij knie- en heupartrose. Maar weten patiënten dat niet allang? Promotieonderzoek van Jeanne Oomen laat zien dat goede artrosezorg meer vraagt dan informatie alleen. Ook de formulering van de boodschap, persoonlijke barrières en afstemming tussen zorgprofessionals verdienen aandacht.

In haar proefschrift Becoming Active in Beating osteoarthritiS (BABS) onderzocht Jeanne Oomen hoe communicatie kan bijdragen aan betere artrosezorg. Daarbij keek ze niet alleen naar welke informatie patiënten krijgen, maar ook naar de manier waarop die informatie wordt aangeboden.
Van weten naar doen
Patiënten met knie- of heupartrose krijgen verschillende behandeladviezen. Denk aan bewegen, oefentherapie, gewichtsvermindering en pijnmedicatie. Toch worden niet-operatieve behandelingen niet altijd optimaal benut.
Een belangrijke constatering
Alleen vertellen dat bewegen goed is, lijkt niet genoeg. Veel mensen met artrose kennen de voordelen van bewegen al. Volgens Oomen is het daarom mogelijk zinvoller om meer aandacht te besteden aan de barrières die bewegen in de weg staan. Pijn is daar een belangrijke van.
Dezelfde boodschap, andere woorden
Een deel van het onderzoek ging heel specifiek over taal. De onderzoekers vergeleken boodschappen waarin de voordelen van het opvolgen van een behandeladvies centraal stonden met boodschappen waarin juist de nadelen van het níét opvolgen werden benadrukt. Daarnaast onderzochten zij of een persoonlijk patiëntverhaal verschil maakte.
Het verschil kan klein lijken. Bijvoorbeeld:
Positief geformuleerd:
Als ik lichamelijk actief was, had ik minder pijn.
Negatief geformuleerd:
Als ik niet lichamelijk actief was, had ik meer pijn.
De inhoud ligt dicht bij elkaar. Het perspectief verschilt.
De onderzoekers testten vier varianten: positief en negatief geformuleerde boodschappen, beide met en zonder het verhaal van de fictieve artrosepatiënt Babs. De overige inhoud werd zoveel mogelijk gelijk gehouden.
Is één formulering beter?
Niet zonder meer. Bij bewegen vonden de onderzoekers geen overtuigend bewijs dat één manier van formuleren beter werkte.
Bij communicatie over pijnmedicatie zagen ze wel een effect. Het benadrukken van de nadelen van het niet gebruiken van pijnmedicatie wanneer pijn het bewegen belemmert, had een positiever effect op de houding tegenover pijnmedicatie. Een patiëntverhaal kon dit effect versterken.
Dat is een interessant communicatie-inzicht, maar nog geen bewezen gesprekstechniek voor de spreekkamer. Het onderzoek geeft aanleiding voor verder onderzoek naar de manier waarop behandeladviezen het beste kunnen worden gecommuniceerd.
BABS: meer dan één boodschap
De inzichten over framing werden vervolgens meegenomen in de bredere BABS-informatiecampagne. Deze campagne was gericht op mensen met knie- en heupartrose én hun zorgverleners en maakte gebruik van verschillende gedrags- en communicatietechnieken. Patiënten waren bovendien betrokken bij de ontwikkeling en het testen van de campagne.
Daarbij stond niet alleen kennis over artrose centraal. De campagne probeerde ook overtuigingen over onder meer bewegen, fysiotherapie en pijnmedicatie te beïnvloeden.
De campagne werd in veertien huisartsenpraktijken onderzocht. De uitkomst vraagt om nuance. De campagne leidde niet tot aantoonbaar andere verwijspatronen, ander zorggebruik of een betere gemeten kwaliteit van zorg. De effecten waren klein en volgens de onderzoekers niet klinisch relevant.
Wel veranderden bepaalde overtuigingen. Zo namen negatieve opvattingen van patiënten over bewegen af. Ook waren patiënten in de interventiegroep na zes maanden lichamelijk actiever en waren de opvattingen van zorgprofessionals over medicatie positiever.
De volgende vraag: wat houdt bewegen tegen?
Daarmee verschuift ook de communicatievraag. Niet alleen: weet mijn patiënt dat bewegen belangrijk is? Maar bijvoorbeeld ook: wat houdt deze patiënt tegen om te bewegen?
Pijn kan zo'n barrière zijn. Ook overtuigingen over wat pijn tijdens bewegen betekent, kunnen een rol spelen. Het proefschrift adviseert daarom verder te kijken naar manieren om zulke barrières te verminderen en patiënten langdurig te ondersteunen bij bewegen en zelfmanagement. Gestructureerde patiënteducatie en, wanneer nodig, aanvullende begeleiding door de fysiotherapeut kunnen daarbij een rol spelen.
Eén boodschap van verschillende zorgverleners
Er ligt nog een aandachtspunt voor de dagelijkse praktijk. Patiënten kunnen van verschillende zorgverleners verschillende informatie krijgen over niet-operatieve behandelingen. Het onderzoek onderstreept daarom het belang van consistente, actuele en onderbouwde informatie.
Hoe groot het effect van betere afstemming tussen disciplines daadwerkelijk is, moet nog verder worden onderzocht. Oomen adviseert specifiek meer onderzoek naar consistente en gecoördineerde informatievoorziening door verschillende zorgprofessionals.
Voor huisarts en fysiotherapeut levert het proefschrift daarmee vooral een interessante vraag op voor de spreekkamer: vertellen we alleen wat een patiënt zou moeten doen, of onderzoeken we ook welke overtuigingen en barrières hem of haar ervan weerhouden om dat daadwerkelijk te doen?
