Waarom een bloedtransfusie?

Bloedtransfusies worden door uw arts voorgeschreven als dat voor uw behandeling noodzakelijk is. Hij zal een bloedtransfusie echter nooit zonder uw toestemming uitvoeren (tenzij er sprake is van een acute situatie). Om u te helpen een weloverwogen keuze te maken, zal uw arts u vooraf duidelijk inlichten over:

  • de reden van de bloedtransfusie;
  • de risico’s die aan de transfusie verbonden zijn;
  • de risico’s die ontstaan wanneer u niet instemt met een bloedtransfusie;
  • eventuele alternatieven voor de bloedtransfusie

Het is belangrijk dat het bloed dat iemand toegediend krijgt bij hem of haar ‘past’. Daarom nemen wij bloed bij u af om uw bloedgroep en rhesusfactor vast te stellen en om te onderzoeken of er afweerstoffen tegen bloedcellen in uw bloed aanwezig zijn. Deze stoffen kunnen gevormd zijn na een zwangerschap of vroegere bloedtransfusie. Als dat het geval is, kan het langer duren voor er ‘passend’ bloed voor u wordt gevonden. Ook raadpleegt het transfusielaboratorium een landelijk registratiesysteemsysteem om te zien of er ooit eerder bij u afweerstoffen zijn gevonden. Het is belangrijk dat er geen verwisselingen optreden. Uw zorgverlener moet u daarom bij alle stappen vragen naar uw volledige naam en uw geboortedatum. Ten slotte zal de verpleegkundige vlak voordat u een bloedtransfusie krijgt nogmaals controleren of het bloedproduct inderdaad voor u bestemd is.

Hoewel de risico’s van een bloedtransfusie tot een minimum worden beperkt kunnen deze niet helemaal worden uitgesloten. Bij patiënten kan tijdens of na een bloedtransfusie een allergische reactie optreden. Zo’n reactie is te herkennen aan koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. Dit kan vaak eenvoudig met medicijnen worden behandeld. Soms vormen patiënten na een bloedtransfusie afweerstoffen tegen de bloedcellen van sommige donors. Deze afweerstoffen kunnen bij een vervolgtransfusie een reactie geven met het donorbloed, waarbij uw lichaam het donorbloed afbreekt. Dit kan voorkomen worden door passend donorbloed te selecteren. Mochten zich afweerstoffen bij u hebben gevormd, dan krijgt u een transfusiekaartje met deze vermelding. Dit kaartje moet u bij volgende bloedtransfusies altijd aan uw behandelend arts laten zien. Omdat de mogelijkheid bestaat dat deze afweerstoffen na verloop van tijd niet meer aantoonbaar zijn, worden de gegevens over deze afweerstoffen meestal opgeslagen in een landelijk datasysteem. Bij een volgende transfusie kan het transfusielaboratorium van het ziekenhuis waar u op dat moment wordt behandeld, het landelijke datasysteem raadplegen en zo goed mogelijk passend bloed voor u uitzoeken. Als u bezwaar hebt tegen de registratie van uw gegevens in dit landelijke registratiesysteem, kunt u dit bij uw arts aangeven. Het ziekenhuis zal uw bezwaar in het dossier vastleggen.

Ja, dat kunt u. Bedenkt u daarbij wel dat er niet altijd andere mogelijkheden zijn. Bloedtransfusies zijn vaak levensreddend. Een bloedtransfusie weigeren betekent soms een groter risico voor uw gezondheid dan een bloedtransfusie ontvangen. Bespreek uw twijfels over de bloedtransfusie tijdig met de arts die u behandelt. Ten slotte is het bij sommige operaties met veel bloed verlies mogelijk dat het bloed dat uit de wond komt met een speciaal apparaat wordt opgevangen en geschikt gemaakt om terug te geven. U kunt met uw behandelend arts of anesthesioloog overleggen of u in aanmerking komt voor één van deze methoden.

De kans op schadelijke gevolgen van een bloedtransfusie is klein maar niet geheel uitgesloten. Om bloedtransfusies zo veilig mogelijk te maken, worden de volgende maatregelen genomen:

  • alleen gezonde mensen kunnen bloeddonor worden;
  • al het donorbloed wordt onder andere getest op:
    • een aantal geelzuchtvirussen (hepatitis B, C en E);
    • syfilis;
    • HIV, het virus dat aids kan veroorzaken;
  • bloedplaatjes worden gecontroleerd op de aanwezigheid van bacteriën;
  • uw eigen bloed wordt voorafgaand aan een bloedtransfusie gecontroleerd op de aanwezigheid van afweerstoffen, die zouden kunnen reageren met het donorbloed.

Toch blijft er, ondanks alle voorzorgen, een zeer kleine kans bestaan op besmetting met een virus of een ander micro-organisme door de bloedtransfusie (de kans dat een eenheid bloed besmet is met HIV is bijvoorbeeld kleiner dan één op een miljoen). Het kan zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. In zijn bloed kan de aanwezigheid van de ziekteverwekker dan nog niet worden aangetoond. Ook is het mogelijk dat de hoeveelheid virus in het bloed zo gering is, dat het niet kan worden aangetoond met een bloedtest. Daarnaast is het mogelijk dat het ten tijde van de bloedtransfusie nog niet duidelijk is dat het bloed besmet is met een (langzaam groeiende) bacterie. Dit geldt met name voor bloedplaatjes die vanwege hun korte houdbaarheid binnen zeven dagen na de donatie worden toegediend. Tevens kan het gebeuren dat er micro-organismen in het bloed zitten die we nog niet kennen of waarop niet getest wordt. Ook zijn er aandoeningen, zoals de variant ziekte van Creutzfeldt-Jakob, die mogelijk via transfusie kunnen worden overgedragen en waarvoor nog geen test bestaat.

Nee, na een transfusie met donorbloed kunt u geen bloeddonor worden of blijven. Dit heeft te maken met een voorzorgsmaatregel om een zogenaamde ‘besmettingsketen tussen mensen’ voor de variant ziekte van Creutzfeldt-Jakob (een zeldzame hersenziekte) te voorkomen.

Meer informatie kunt u vinden op de website van Sanquin.