Het ellebooggewricht wordt gevormd door het uiteinde van het bot van de bovenarm (humerus) en het begin van het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna) van de onderarm.

De ellepijp heeft een kom waarin het uiteinde van het bot van de bovenarm past. Naast de ellepijp ligt het spaakbeen dat ook met een klein kopje (radiuskop) grenst aan het uiteinde van het bot van de bovenarm. Zowel de kom van de ellepijp als de kop van het spaakbeen en het uiteinde van het bot van de bovenarm zijn bekleed met kraakbeen. Hiertussen bevindt zich een laagje gewrichtsvocht zodat het gewricht soepel kan draaien. Het geheel wordt omgeven door het gewrichtskapsel.

Het kraakbeen kan door diverse oorzaken slijtage gaan vertonen. Dit noemen we artrose. Het is ook mogelijk dat door een botbreuk het kopje van het spaakbeen onherstelbaar beschadigd is en daarom vervangen moet worden.

Als het kraakbeen versleten is, kan het gewricht niet meer soepel bewegen. Hierdoor heeft u pijn en bent u beperkt in uw bewegingen. Door de irritatie die ontstaat bij het bewegen, maakt u meer gewrichtsvocht aan, waardoor het gewricht kan zwellen.

De diagnose voor de behandeling