Menu

Samen met patiënten helpen we via onderzoek onze prothesezorg te verbeteren

Van de diverse gewrichten die zich in ons bewegingsapparaat bevinden, is die van de scharnierende knie een  lastige om te vervangen. Daarom doen we bij de Sint Maartenskliniek veel onderzoek naar dit orthopedisch specialisme. En kijken we daarbij niet alleen naar het moment waarop de knie vervangen moet worden, maar ook naar het proces daarvoor en daarna, wanneer hersteloperaties nodig zijn. Petra Heesterbeek is één van de onderzoekers van onze researchafdeling en is nauw betrokken bij allerlei onderzoeken op dit gebied. Samen met reumatologen, orthopeden en patiënten onderzoekt zij de hele keten van artrose naar (revisie) van de knieprothese: “Ik ben altijd op zoek naar innovaties en verbeteringen. Van het voorkomen van de noodzaak van een kunstknie tot het plaatsen van een prothese die zo natuurlijk voelt, dat de patiënt nadien vergeet aan welke knie hij of zij geopereerd is.”

De orthopedisch specialisten van de Sint Maartenskliniek plaatsen jaarlijks gemiddeld 900 primaire (eerste) knieprotheses en ruim 400 (complexe) revisie knieprotheses. Dit is veel meer dan het gemiddelde Nederlandse ziekenhuis en maakt ze tot echte experts op dit gebied. Elke operatie gebeurt met de best mogelijke materialen en volgens de meest actuele inzichten. “Het grootste deel van de patiënten die in de Sint Maartenskliniek voor het eerst een kunstknie krijgen is tevreden met het resultaat van de operatie,” aldus Petra. “Bij sommige van hen zit de prothese zelfs zo goed, dat het gevoel van een kunstknie er eigenlijk niet meer is. Helaas is 20 % van de patiënten (wereldwijd)  niet helemaal tevreden na de plaatsing van hun eerste knieprothese; zij kunnen niet lekker bewegen, houden pijn of de prothese laat te vroeg los. Vooral dat laatste is zeer onwenselijk, omdat je dan vrijwel áltijd te maken krijgt met een complexe knierevisie,” aldus Petra.

Te vroege knierevisie voorkomen
Op dit moment kan een patiënt zo’n 15 jaar vooruit met een kunstknie. Is iemand nog vrij jong (50 jaar) dan krijgt deze persoon dus vrijwel zeker nog één keer in zijn leven een revisie knieprothese. Het plaatsen van zo’n tweede kunstknie is altijd wat ingewikkelder dan de eerste; de oude prothese moet eruit, de orthopeed zaagt wat bot af om alles weer netjes te maken en plaatst vervolgens een wat grotere prothese terug, met meer bevestigingsmetalen. Laat de eerste kunstknie te vroeg los dan is er eigenlijk te vroeg een revisie knieprothese nodig. Petra: “Bij nóg zo’n revisie in de jaren daarna, is er vaak sprake van meer botschade en soms infecties, waardoor het plaatsen van die volgende revisie knieprothese nóg ingewikkelder wordt. Daarom wil je als specialist dat de eerste kunstknie zo lang mogelijk blijft zitten - zónder klachten te geven. En als er dan toch een revisie van de knieprothese nodig is, dan willen wij daar als Sint Maartenskliniek de best mogelijke zorg voor kunnen verlenen. Zodat die nieuwe kunstknie wél goed op zijn plek blijft zitten. En de patiënt er een fijn, actief leven  mee kan hebben. Vandaag én over 20 jaar. Als onderzoeker kun je samen met patiënten helpen om de zorg van morgen voor heel veel toekomstige patiënten beter te maken zónder dat je dokter bent”.

Petra aan het werk in een van de onderzoeksruimten

Schat aan onderzoekinformatie
“Dankzij eigen toegepast klinisch onderzoek onder een deel van onze orthopedische patiënten, beschikken wij over een schat aan actuele informatie over knieprotheses. We weten hoe lang welke prothese gemiddeld mee gaat en kunnen voorspellen welke factoren daar bepalend in zijn. Nieuwe innovaties en technische verbeteringen bespreken we met de orthopedisch specialisten en nemen wij met ons onderzoeksteam direct (langdurig) onder de loep. Blijkt uit het onderzoek dat prothese b inderdaad beter is dan prothese a? Dan gaan we na het onderzoek prothese b gebruiken en niet meer a. Is prothese b wel duurder maar niet beter? Dan gaan we door met de ‘oude prothese’. Op die manier verleent onze kliniek altijd de best mogelijke zorg en is er wetenschappelijk bewijs om aan te tonen dat dit ook echt zo is.” Een voorbeeld van zo’n onderzoek, is de studie waaraan de heer Bezem op dit moment meewerkt. Lees hier zijn verhaal.

Koen Defoort, orthopedisch chirurg: “Wetenschappelijk onderzoek hoort bij het DNA van de Sint Maartenskliniek. Als staflid word je geacht om veel meer dan de gemiddelde orthopedische praktijk met deze tak van sport bezig te zijn. Mij past dit goed.  Enerzijds vind ik onderzoek dé kwaliteitscontrole van het (lange termijn) effect van onze eigen behandelingen en die van de hele orthopediegemeenschap. Anderzijds zijn wij als expertisecentrum áltijd op zoek naar innovatieve behandelingen, producten en protheses, die wetenschappelijk bewezen effectiever of beter zijn. Wij geloven daarbij in een conservatieve benadering; concepten waar wij als team achter staan, passen wij alleen toe in een goed uitgevoerd onderzoek. We selecteren onze studiepatiënten streng op de juiste inclusiecriteria en lichten hen eerlijk voor over de behandeling en bijbehorende risico’s. Gaat een patiënt akkoord dan volgt een langdurig onderzoek van soms wel tien jaar. Dit maakt het invoeren van innovaties trager, maar gecontroleerd. Dat is beter en eerlijker naar patiënten toe.”

Internationaal baanbrekend onderzoek met 3D-beeld
Een belangrijk onderzoek bij het voorkomen dat een knieprothese gaat bewegen of te vroeg loslaat is die van de fixatie. “Van de protheses die we standaard gebruiken, weten we dat ze goed blijven zitten. Bij nieuwe implantaten doen we altijd onderzoek of ze goed op hun plek blijven zitten,” vertelt  orthopedisch chirurg Koen Defoort. “Bij zo’n zogeheten RSA-onderzoek plaatsen we met toestemming van de patiënt kleine metalen kogeltjes in het bot. Vervolgens controleert onze onderzoeksafdeling super precies, tot op tienden van millimeters, via speciale 3D-beelden, die we maken met dubbele röntgenbuizen, of de prothese op zijn plek blijft zitten.” Petra: “Natuurlijk delen we onze kennis als internationaal onderzoekkoploper graag met vakgenoten via congressen en publicaties in internationale vakbladen, zodat onze ontwikkelingen verder komen.”